‘School is geen zorginstelling’
Wat moet en kan een docent die leerlingen in z’n klas heeft met aandoeningen als adhd, pdd/nos, dyslexie en faalangst?
Teije van der Bij vindt dat passend onderwijs niet mag ontaarden in allerlei individuele benaderingen van zorgleerlingen. ‘Scholen zijn geen zorginstellingen. Maatwerk is heel goed, maar dat vraagt veel van docenten. Zij hebben vaak geen idee wat ze moeten met al die individuele handelingsplannen, van leerlingen met allerlei verschillende aandoeningen. Ik vind dat je op een zo effectief mogelijke manier moet lesgeven. Je moet je vooral richten op de groep; niet op allerlei individuele leerlingen. Al die verschillende handelingsplannen zijn goed als communicatiemiddel tussen mentor en docenten en tussen de docenten onderling, maar staar je er niet blind op. Haal er eventueel uit wat je in de klas kan doen en investeer in een goede directe instructie. Dat is, ook voor zorgleerlingen, een heel belangrijke succesfactor.’
Van der Bij: ‘Goed onderwijs en een goede didactiek moeten voorop staan. Docenten hebben de neiging om hun onderwijs te willen afstemmen op al die zorgcategorieën. Zij moeten zich realiseren dat ze goed onderwijs kunnen geven aan alle leerlingen als ze als docent goed zijn toegerust.’
Weten wat werkt
Hij zal niet ontkennen dat enige kennis van de aandoeningen nodig is. ‘Het is belangrijk dat een docent weet wat werkt bij deze leerlingen, en hoe hij adequaat kan reageren wanneer er iets mis gaat. Voor leerlingen met adhd en pdd/nos is consequent, voorspelbaar gedrag van de docent heel belangrijk.’
Van der Bij is betrokken bij een experiment waarbij zorgleerlingen integreren in het reguliere leerproces. ‘De betreffende school werkt zelfs met een leerplein. Als het met een leerling met pdd/nos even niet gaat, merkt zijn begeleider dat, die ook op het leerplein aanwezig is. Ze gaan dan even apart gaan zitten en nemen samen de dag door. Als alles weer op een rijtje staat, kan die jongen aan het werk.’
Van der Bij ziet vaak dat er wel handelingsplannen zijn, maar dat daar nauwelijks mee wordt gewerkt. Of dat niet is afgesproken wie de regie heeft. ‘Je moet regelmatig evalueren hoe het gaat, en ook vragen wat vindt leerling er zelf van vindt. En zo’n plan natuurlijk bijstellen als dat nodig is.’
Ouders raadplegen
Van der Bij signaleert, net als hoogleraar Sui Lin Goei (zie Prima VO nummer 2), dat docenten moeilijk kunnen omgaan met gedragsproblemen. Volgens Van der Bij vormen ouders op dat punt een goede informatiebron. ‘Ouders kennen hun kind goed en weten vaak wat werkt. Je moet sowieso contact houden met ouders. Voor het succes van een leerling is een goede match nodig tussen thuis en school.’
In Nederland zitten relatief veel leerlingen in het speciaal onderwijs. zegt Van der Bij: ‘Dat kan te maken hebben met hoe wij onderwijs geven: we hebben ouderwetse jaarklassen, geven klassikaal onderwijs en het lesprogramma is leidend in plaats van de leerling.’
We moeten kinderen niet etiketteren, vindt hij. ‘Als een etiket helpt om je gedrag als docent aan te passen, is dat waardevol. Maar als je het gebruikt als legitimatie om een kind naar het speciaal onderwijs te sturen is dat niet goed. Het speciaal onderwijs moet zeker blijven, maar het is nu te groot.’
Download hier het volledige artikel (pdf)
« terug naar magazine
Teije van der Bij vindt dat passend onderwijs niet mag ontaarden in allerlei individuele benaderingen van zorgleerlingen. ‘Scholen zijn geen zorginstellingen. Maatwerk is heel goed, maar dat vraagt veel van docenten. Zij hebben vaak geen idee wat ze moeten met al die individuele handelingsplannen, van leerlingen met allerlei verschillende aandoeningen. Ik vind dat je op een zo effectief mogelijke manier moet lesgeven. Je moet je vooral richten op de groep; niet op allerlei individuele leerlingen. Al die verschillende handelingsplannen zijn goed als communicatiemiddel tussen mentor en docenten en tussen de docenten onderling, maar staar je er niet blind op. Haal er eventueel uit wat je in de klas kan doen en investeer in een goede directe instructie. Dat is, ook voor zorgleerlingen, een heel belangrijke succesfactor.’
Van der Bij: ‘Goed onderwijs en een goede didactiek moeten voorop staan. Docenten hebben de neiging om hun onderwijs te willen afstemmen op al die zorgcategorieën. Zij moeten zich realiseren dat ze goed onderwijs kunnen geven aan alle leerlingen als ze als docent goed zijn toegerust.’
Weten wat werkt
Hij zal niet ontkennen dat enige kennis van de aandoeningen nodig is. ‘Het is belangrijk dat een docent weet wat werkt bij deze leerlingen, en hoe hij adequaat kan reageren wanneer er iets mis gaat. Voor leerlingen met adhd en pdd/nos is consequent, voorspelbaar gedrag van de docent heel belangrijk.’
Van der Bij is betrokken bij een experiment waarbij zorgleerlingen integreren in het reguliere leerproces. ‘De betreffende school werkt zelfs met een leerplein. Als het met een leerling met pdd/nos even niet gaat, merkt zijn begeleider dat, die ook op het leerplein aanwezig is. Ze gaan dan even apart gaan zitten en nemen samen de dag door. Als alles weer op een rijtje staat, kan die jongen aan het werk.’
Van der Bij ziet vaak dat er wel handelingsplannen zijn, maar dat daar nauwelijks mee wordt gewerkt. Of dat niet is afgesproken wie de regie heeft. ‘Je moet regelmatig evalueren hoe het gaat, en ook vragen wat vindt leerling er zelf van vindt. En zo’n plan natuurlijk bijstellen als dat nodig is.’
Ouders raadplegen
Van der Bij signaleert, net als hoogleraar Sui Lin Goei (zie Prima VO nummer 2), dat docenten moeilijk kunnen omgaan met gedragsproblemen. Volgens Van der Bij vormen ouders op dat punt een goede informatiebron. ‘Ouders kennen hun kind goed en weten vaak wat werkt. Je moet sowieso contact houden met ouders. Voor het succes van een leerling is een goede match nodig tussen thuis en school.’
In Nederland zitten relatief veel leerlingen in het speciaal onderwijs. zegt Van der Bij: ‘Dat kan te maken hebben met hoe wij onderwijs geven: we hebben ouderwetse jaarklassen, geven klassikaal onderwijs en het lesprogramma is leidend in plaats van de leerling.’
We moeten kinderen niet etiketteren, vindt hij. ‘Als een etiket helpt om je gedrag als docent aan te passen, is dat waardevol. Maar als je het gebruikt als legitimatie om een kind naar het speciaal onderwijs te sturen is dat niet goed. Het speciaal onderwijs moet zeker blijven, maar het is nu te groot.’
Download hier het volledige artikel (pdf)
« terug naar magazine







