Jelle Jolles neemt afscheid maar vervolgt zijn missie

Jelle Jolles: ‘Neuropsychologische kennis onontbeerlijk voor de onderwijspraktijk’
Met een drukbezocht symposium nam neuropsycholoog Jelle Jolles op 15 juni afscheid van de Vrije Universiteit Amsterdam. De hoogleraar is een autoriteit op het gebied van de ontwikkeling en ontplooiing van kinderen en tieners en het cognitief presteren bij volwassenen en ouderen.

Tekst Brigitte Bloem

Hij werd daarmee een veelgevraagd spreker en graag geziene gast in de media. Ook in PrimaOnderwijs heeft Jolles regelmatig zijn licht laten schijnen over de relatie breinontwikkeling-onderwijs. Het afscheid van de universitaire wereld betekent niet dat de onderwijswereld zijn inzichten zal hoeven te missen. Integendeel, Jolles gaat door met zijn missie om neuropsychologische kennis te vertalen naar de onderwijspraktijk. In zijn afscheidsrede pleitte de hoogleraar voor versterking van de gedrags- en menswetenschappelijke inbreng in het onderwijs. ‘Er zijn veel inzichten over het zich ontwikkelende kind die een belangrijke rol kunnen spelen bij het vergroten van leerprestatie en studiemotivatie. En in het onderwijs maken we helaas nog steeds geen optimaal gebruik van neuropsychologische kennis’, vindt Jolles. ‘Naar mijn mening is een grote hoeveelheid ‘laaghangend fruit’ aanwezig dat met vrij geringe inspanning in opvoeding en onderwijs te implementeren is. Ik pleit voor de ontwikkeling van LEREN 2.0, waarin de vele factoren die de ontplooiing van het kind bepalen centraal komen te staan. In mijn oratie heb ik daarvoor handvatten gegeven voor leraren en ouders, onderwijsorganisaties, overheid en politiek en kennisinstellingen zoals universiteiten.’

Je nam afscheid van de VU met een symposium en een publiekslezing. De nadruk lag deze dag op de ontwikkeling die we doormaken tussen ons 8ste en 25ste jaar. Je hebt het onderwijs de afgelopen jaren intensief bestookt met kennis over de neuropsychologische ontwikkeling van kinderen en tieners. Waarom is het zo belangrijk dat leraren en schoolleiders deze kennis ook toepassen in hun omgang met leerlingen?

“De ontwikkeling van de pre-adolescent (8-10 jaar), de adolescent (ca 10-22 jaar) en de bijna-volwassene (ca 20-25 jaar) valt samen met de periode op de basisschool tot en met het diploma van het middelbaar beroepsonderwijs of hoger onderwijs. De afgelopen dertig jaar is de adolescent meer en meer vrijgelaten, vanuit de visie dat hij of zij meer de gelegenheid moet krijgen om de regie te nemen over het eigen leerproces. En juist dat is strijdig met de resultaten van veel wetenschappelijk onderzoek: uit de neurowetenschap, uit de ontwikkelingspsychologie en –pedagogiek en uit andere wetenschappen. Al die wetenschappen geven een enorm stuwmeer aan wetenschappelijke kennis, waaruit blijkt dat de adolescent niet ‘klaar’ is op zijn 14e maar dat dat nog wel een jaar of tien kan duren.
De titel van mijn afscheidssymposium was ‘Tienerbrein in de praktijk’. Ik hoop dat ik met het symposium een bijdrage lever aan het versterken van de zo broodnodige dialoog tussen wetenschappers en praktijkprofessionals. De samenleving moet neuromythen en onderwijsmythen bestrijden en beter gebruik gaan maken van de vele inzichten die de afgelopen tientallen jaren zijn verkregen in de gedrags-, cognitieve en neurowetenschappen. Het is mijn verwachting dat we daardoor een bredere ontplooiing kunnen bewerkstelligen van onze kinderen en jongeren, waardoor ook de voldoening en lol in het leraarsvak toeneemt.”

Hoe komt het dat die wetenschappelijke kennis over de ontwikkeling van kinderen en jongeren tussen de 8 en 25 jaar nog veel te weinig wordt toegepast in het onderwijs?

“Er is enorm veel kennis beschikbaar, die direct kan worden ingezet. Het grote probleem is echter dat er veel te kleine stapjes worden gemaakt ten aanzien van de verspreiding en implementatie. De belangrijkste reden dat de kennis onvoldoende wordt toegepast is, omdat het niet bekend is dat die kennis er is. Lerarenopleidingen en pabo’s hebben nog niet veel vernieuwd ten aanzien van hun curricula. Ik hoop dat het symposium en mijn oratie een soort wake-up call zijn, waarmee ik de aandacht wil vestigen op het feit dat er relevante kennis beschikbaar is, waar onderwijs en leerlingen veel profijt van kunnen hebben. De komende jaren wil ik me vooral bezighouden met die dialoog.”

‘Context shapes the brain’ en ‘tieners zijn werk in uitvoering’ zijn twee van jouw belangrijkste stellingen. Wat betekent dat voor leraren? En wat betekent dat voor het lesprogramma en de Nederlandse onderwijsstructuur?

“Veel. In de eerste plaats zal het – hoop ik – leiden tot een verdere attitudeverandering bij iedereen die tieners om zich heen heeft. De leerling is niet lui; hij of zij is alleen nog niet zo ver. De leerling heeft steun, sturing en inspiratie nodig. En routes die de leraar hem of haar wijst. Cruciaal punt is dat dit inzicht strijdig is met de visie dat de leerling de regisseur is van het eigen leerproces. Op het niveau van een deeltaak kan de leerling dat leren, maar het is voor de overgrote meerderheid van de adolescenten nog niet goed mogelijk om de regie te voeren over het eigen leven, over het omgaan met prikkels, met conflicterende belangen. Dat is een proces dat vele jaren kost. Als leraren en ouders zich hiervan bewust zijn, dan kan er veel adequater gewerkt worden aan de prestaties van de leerling, hem of haar motiveren, inspireren en werken aan de persoonlijke groei. De leerling kan meer inzicht krijgen over zichzelf in zijn peergroup en in de eigen ontwikkeling. Dat is iets wat vrijwel alle jeugdigen boeit. Ik ben er stellig van overtuigd dat we jongeren beter kunnen motiveren als we meer inspelen op hun interesses en nieuwsgierigheid. Nog veel te vaak worden jongeren sterk onder-gestimuleerd. Ik verwacht dat er bij de vaststelling van de nieuwe curricula terdege rekening zal worden gehouden met de kennis over de breinontwikkeling als het gaat om motiveren, inspireren en werken aan de persoonlijke groei. Bovendien ben ik van mening dat de leerling niet alleen een ontvanger van kennis en oefenstof is, maar een autonome groei moet doormaken. Daarbij zijn brede vorming en bildung voor mij essentiële onderdelen, waarmee we de pedagogische dimensie van het onderwijs écht kunnen versterken.”

Welke stappen moeten op korte termijn zeker gezet worden, zodat het onderwijs wél profijt heeft van de kennis en inzichten uit jouw vakgebied?

“Heldere, compacte informatie moet beschikbaar komen, zodat de vele onderwijsprofessionals die wel degelijk hongerig zijn naar nieuwe en bruikbare informatie aan hun trekken komen. Boekjes, cursussen, video’s met veel praktijkhandvatten. Dat is overigens waar ik met mijn Centrum Brein & Leren en mijn adviespraktijk NeuroPsy mee bezig ben en wat ik de komende jaren verder wil uitbouwen. Ik hoop daarbij op interesse van de ministeries. Niet alleen van OCW, maar ook van VWS, vanwege de toepasbare kennis over functiestoornissen en leerproblemen, GGZ-problemen en verslavingsproblematiek. Overheid - het macro-niveau - en onderwijsorganisaties en scholen - het meso-niveau - zouden meer faciliteiten moeten geven aan het micro-niveau, de leraren (en ouders), om nieuwe kennis en inzichten te verwerven. Maar ook om meer tijd te hebben voor hun leerlingen. Daarom hoop ik ook dat de PO-Raad, VO-raad en andere raden steun zullen geven aan een missie zoals ik hier verwoord. Zij zullen voorwaarden moeten scheppen, waardoor onderwijsinnovatie horizontaal gestimuleerd wordt en ook op institutioneel niveau, en in ieder geval bij schoolorganisaties, tot veranderingen leidt.”

Wat zijn je verdere toekomstplannen?

“Via Brein & Leren en NeuroPsy zorg ik met boeken, publicaties, interviews, maar ook door sterk in te zetten op de sociale media, voor het versterken van de dialoog tussen wetenschap en praktijk. Ik hoop dit najaar diverse producten uit te brengen die voor de directe onderwijs- en opvoedingspraktijk relevant zijn. Ons BreinPlein, de Denkwijzer en boekjes over ‘Leer de tiener kennen’ – die uitgebreid zijn beproefd in de onderwijspraktijk – komen dan beschikbaar.”

Op welke wijze hoop je dat je kleinkinderen op school leren, om later als volwassenen goed te kunnen functioneren?

“Ik kan kort zijn: ik zie het meest in nieuwsgierigheid, in eagerness, in ondernemingszin: exploreren, zoeken naar oplossingen en antwoorden op ‘hee, wat is dat, hoe werkt het?’. Ik hoop dat mijn kleinkinderen vele verschillende soorten kennis, inzichten en ervaringen kunnen opdoen, waarvan een aantal ‘gewoon leuk’ is, en dat deze kennis, inzichten en ervaringen later van grote waarde blijken te zijn om goed te kunnen functioneren in de samenleving van 2030 en verder. Een samenleving die we nog helemaal niet kennen. Ik hoop dat ze als rupsen die nog vlinder-in-opleiding zijn hun brein optimaal tot ontwikkeling brengen, waardoor ze zich breed kunnen ontplooien.”


Blijf op de hoogte

Meld je aan voor de PrimaOnderwijs nieuwsbrief

Nieuwsbrief