Eye-tracking is een techniek waarmee je meet waar iemand naar kijkt, in welke volgorde en hoe lang. Onderzoekers gebruiken het al jaren om leerprocessen beter te begrijpen, bijvoorbeeld bij lezen, rekenen en andere taken waarbij visuele informatie een rol speelt. Maar de vraag die steeds vaker opkomt is praktischer: wat kan eye-tracking het onderwijs opleveren?
In gesprek met onderzoeker aan de Universiteit Utrecht doctor Ellen Kok (die eye-tracking breder inzet binnen onderwijsonderzoek) en lerarenopleider/onderzoeker Corina Breukink (die oogbewegingsdata van vo-leerlingen verzamelde, analyseerde en vertaalde naar een concrete leesinterventie) ontstaat een genuanceerd beeld. Eye-tracking is kansrijk wanneer je scherp hebt wat je wilt weten, én als je voorzichtig bent met conclusies. Eye-tracking in de klas is kansrijk als je kunt laten zien waar het hapert en waar mogelijke oplossingen zitten.
Ellen: “Een eye tracker is eigenlijk gewoon een hele goede camera met infraroodlampje. Met die camera kun je vastleggen waar iemands blik heen gaat. Dat levert zicht op patronen: leest iemand lineair door, gaat iemand terug, blijft iemand hangen bij een woord, of wordt er juist veel overgeslagen?”
Tegelijkertijd is de beperking dat kijken niet hetzelfde is als denken. Ellen waarschuwt dat je niet moet doorschieten in interpretaties. “Dat iemand ergens lang naar kijkt, wil niet zeggen dat hij erover nadenkt. Je kunt bijvoorbeeld met je ogen door een tekst gaan en achteraf merken dat je niet meer weet wat je

in gesprek met onderzoeker aan de Universiteit Utrecht doctor Ellen Kok (die eye-tracking breder inzet binnen onderwijsonderzoek) en lerarenopleider/onderzoeker Corina Breukink (die oogbewegingsdata van vo-leerlingen verzamelde, analyseerde en vertaalde naar een concrete leesinterventie) ontstaat een genuanceerd beeld. Eye-tracking is kansrijk wanneer je scherp hebt wat je wilt weten, én als je voorzichtig bent met conclusies. Eye-tracking in de klas is kansrijk als je kunt laten zien waar het hapert en waar mogelijke oplossingen zitten.

Ellen: “Een eye tracker is eigenlijk gewoon een hele goede camera met infraroodlampje. Met die camera kun je vastleggen waar iemands blik heen gaat. Dat levert zicht op patronen: leest iemand lineair door, gaat iemand terug, blijft iemand hangen bij een woord, of wordt er juist veel overgeslagen?”
Tegelijkertijd is de beperking dat kijken niet hetzelfde is als denken. Ellen waarschuwt dat je niet moet doorschieten in interpretaties. “Dat iemand ergens lang naar kijkt, wil niet zeggen dat hij erover nadenkt. Je kunt bijvoorbeeld met je ogen door een tekst gaan en achteraf merken dat je niet meer weet wat je we wat we weten uit onderzoek naar een effectief leesprogramma voor havo 4 en vwo 4?
In een eerste studie lazen leerlingen uit havo 2 en 4 en vwo 2, 4 en 6 van papier teksten met vragen: vier poëzieteksten en vier prozateksten (twee korte verhalen, twee zakelijke teksten). Dat raakt meteen een brede discussie die al lang speelt: meet je met teksten met vragen tekstbegrip, of trainen leerlingen vooral een ‘foefje’ voor de vraagstelling? Corina zag een opvallend verschil: proza ging in ontwikkeling vooruit, poëzie bleef achter. Deze uitkomst wordt geplaatst in de onderwijscontext: leerlingen lijken meer vertrouwd met het lezen van prozateksten en het beantwoorden van (begrips)vragen hierbij, dan met het lezen en begrijpen van poëzie. Dat past bij wat in veel lessen Nederlands gebruikelijk is: een sterke focus op zakelijke teksten en toetsgerichte leesactiviteiten, terwijl poëzie in de praktijk vaak overwegend analytisch wordt benaderd.
Daarna volgde een eye-trackingonderzoek met grotendeels dezelfde vier proza- en vier poëzieteksten waarin het leesproces van leerlingen werd onderzocht. Leerlingen lazen deze teksten eerst zonder en daarna met een begripsvraag van een laptopscherm, terwijl hun oogbewegingen werden opgenomen. Die begripsvragen waren geen ‘expertvragen’ zoals bij examens, maar om diep lezen en diep tekstbegrip uit te lokken: zorgvuldig lezen, de hele tekst lezen, teruglezen in de tekst, heen en weer gaan in de tekst, tekst(delen) herlezen.

Wat bleek: zonder vraag gingen leerlingen voor een eerste keer relatief snel en vooral lineair door de tekst. Ze gaan weinig terug in de tekst. Corina verduidelijkt: “Je ziet hoe leerlingen lezen (waar en hoe lang ze ergens kijken en in welke volgorde) , maar je weet nog niet waarom ze dit doen en wat ze erbij denken. Daarom werden leerlingen ook geïnterviewd met behulp van hun eigen oogbewegingsfilmpjes. Leerlingen reageerden vaak verrast: ‘Ik wist niet dat
ik zo las.’ Door het terugkijken konden ze uitleggen waarom ze ergens lang bleven hangen of waarom ze teruggingen naar een eerdere alinea.” De gecombineerde bevindingen uit studie 1 (tekst-begripstudie) en 2 (leesprocesstudie met eyetracking technologie) duiden erop dat expliciete aandacht voor diep-leesprocessen in de klas nodig is.
Leren van peers:
contrasterende leesprocessen. Die combinatie van beelden en interviewdata leidde tot een lesreeks voor havo 4 en vwo 4, gebaseerd op observerend leren en leren van peers. Leerlingen kijken samen met de docent naar korte filmpjes van twee contrasterende leesprocessen. Eerst bij informatieve teksten, daarna bij korte verhalen, daarna bij poëzie. Bij een kort verhaal zien leerlingen bijvoorbeeld eerst een model dat stukken overslaat en niet terugleest, en daarna een model dat juist zorgvuldig leest en terugkijkt. Belangrijk detail: de filmpjes tonen geen ‘expertlezers’. Het gaat om leren van peers met wie de leerlingen in de klas zich kunnen identificeren.
De leerlingen lezen eerst actief zelf de teksten, voordat zij observeren hoe de leerlingmodellen dezelfde tekst lezen. Corina: “De lessen volgen een vierslag: obser-veren, vergelijken, evalueren van leesprocessen van peers en reflecteren op het eigen leesproces. Zo komt het onderwijsleergesprek over het lezen en begrijpen van de inhoud van teksten op gang zonder dat het plenair over de leesproblemen van de leerlingen in
de klas gaat.”



Bezig met laden...
Reacties