De definitieve conceptkerndoelen voor sport en bewegen zijn geformuleerd. Vrijwel iedereen is het erover eens dat beweging belangrijk is. Maar volgens orthopedisch chirurg Piet van Loon is er een verschil tussen véél bewegen en góed bewegen. En juist daar gaat het volgens hem steeds vaker mis.
Piet werkte jarenlang als wervelkolomchirurg en onderzocht en behandelde kinderen met scoliose en andere rugproblemen. Wat opvalt: de klachten beginnen steeds jonger. “Ik kwam steeds vaker jonge mensen tegen met lelijke rug- en houdingsproblemen”, zegt hij. Daarom vraagt hij al jaren aandacht voor het zorgen voor een gezonde houding en lichamelijke ontwikkeling, ook in het onderwijs. In de nieuwe kerndoelen staan brede motorische ontwikkeling en variatie centraal. Piet mist daarin een belangrijk element: kennis over houding en de reden dat we steeds stijver worden.
Volgens Piet is de achteruitgang geleidelijk gegaan door onze leefstijl. Eerst kwam de televisie in de huiskamer, daarna de auto in vrijwel elk gezin, de computer, de games en uiteindelijk de smartphone. Vooral die laatste heeft veel veranderd: “De smart-phone is de kei die de emmer heeft doen overlopen.” Dat ziet hij terug in de houding van kinderen en jongeren. Schouders hangen vaker naar voren, het hoofd komt voor het lichaam te staan en ze lopen stijver en minder soepel. Ook klachten nemen toe: pijn in de onderrug, nekklachten en sneller vermoeid zijn. “Als je je spieren niet gebruikt, ben je sneller moe. If you don’t use it, you lose it.” Daarbij gaat het niet alleen om te weinig bewegen, maar ook om langdurig verkeerd zitten. Kinderen zitten veel op school, thuis op de bank en tussendoor vaak ook nog achter een scherm. Daardoor ontwikkelen spieren, gewrichten en houding zich minder gunstig.
Het lichaam is geen bijzaak
Van Loon vindt dat scholen het lichaam serieuzer mogen nemen als onderdeel van ontwikkeling. “Lekker in je vel zitten begint met lekker in je lichaam zitten.” Onderwijs is vaak sterk gericht op cognitieve ontwikkeling, terwijl lichamelijke ontwikkeling een belangrijke voorwaarde is om goed te kunnen functioneren op alle fronten. “We geven nu vooral neurocognitief onderwijs, maar dat hoort gelijk op te gaan met goed lichamelijk onderwijs.”
Dat betekent niet dat scholen ineens medisch moeten gaan denken. Wel dat zij bewuster mogen kijken naar hoe kinderen zitten, bewegen en hun lichaam gebruiken. “Op scholen wordt vooral gefocust op sport. Maar er zit een groot verschil tussen sport en gymnastiek. Sport is waardevol, maar gymnastiek had van oorsprong ook een opvoedkundig doel: het lichaam evenwichtig ontwikkelen.”
Vroegere gymdocenten keken volgens hem niet alleen of een kind enthousiast meedeed, maar ook of het soepel bewoog, kracht opbouwde en alle spiergroepen gebruikte. Klimmen, hangen, zwaaien en klauteren waren daarin belangrijk. Niet als losse onderdelen, maar als basis voor een gezond bewegingsapparaat. Juist daar ziet hij kansen in de nieuwe kerndoelen. Onderdelen als balanceren, klimmen, springen, zwaaien en bewegen op muziek kunnen veel bijdragen aan een goede ontwikkeling. Mits leraren weten waar ze op kunnen of moeten letten.
Kleine ingrepen, groot verschil
Verder zijn er veel kleine, praktische aanpassingen die direct toepasbaar zijn op school. Zo pleit hij voor korte onderbrekingen tijdens de lesdag. Even gaan staan, knieën hoog optillen, op tenen en hakken wippen, strekken of molenwieken: simpele bewegingen die weinig tijd kosten en kinderen letterlijk in beweging brengen. Ook zingen ziet hij als een waardevol beweegmoment. “Met zingen sta je vanzelf rechtop en breng je je schouders naar achteren door diep in te ademen.” Zijn advies aan basisscholen is daarom: zing staand.
Ook in de gymzaal is winst te behalen. Niet te snel alleen teamspelen aanbieden, maar eerst zorgen voor een brede basis met rekken, strekken, klimmen, klauteren, draaien en balanceren. En met elkaar oefenen en kracht zetten. Dat helpt alle kinderen, maar vooral degenen die al motorisch minder sterk zijn. Zij haken nu volgens hem vaak als eersten af, juist omdat sportvormen snel draaien om het presteren en vergelijken.
Ook de stoel doet ertoe
Van Loon pleit niet alleen voor méér bewegen, maar ook voor anders zitten. Actief zitten noemt hij belangrijk: zitten op een manier die beweging en een rechtere houding ondersteunt. “Als jij je voeten onder je zitvlak kunt brengen, ga je bijna automatisch rechterop zitten.” Nodigen stoelen in de klas uit tot actief zitten, of juist tot onderuitzakken? Het is zinvol om daar kritisch naar te kijken. Het was niet voor niets dat artsen de kinderen op schoolbanken gingen zetten! Een ergonomische oplossing, die we weggedaan hebben.

Voor leraren die zich afvragen hoe zij houdingsproblemen kunnen signaleren, noemt Van Loon een eenvoudige observatie: de finger-floor test. Daarbij
kijk je of een kind met gestrekte benen en een relatief rechte rug met de vingers bij de grond kan komen. Dat zegt iets over soepelheid en stijfheid. Ook de rugvorm tijdens het vooroverbuigen kan veel verraden. Zo’n test is geen diagnose, maar het kan wel helpen om scherper te kijken. Juist dat kijken naar het lichaam van kinderen is volgens Van Loon in de loop der jaren minder vanzelfsprekend geworden.
De nieuwe kerndoelen sport en bewegen bieden scholen de kans om opnieuw te doordenken wat lichamelijke ontwikkeling vraagt, ook qua kennis over houding, variatie en opbouw. Piet vat samen: “Het spelenderwijs ontwikkelen van een gezond lichaam levert ook spelenderwijs een gezond brein en een gezond verstand op.” Kinderen hebben volwassenen nodig die dat zien, begeleiden en er bewust ruimte voor maken.
Op zoek naar een explainer van Gen Z voor Gen Z? Piet werkte aan eentje mee!


Bezig met laden...
Reacties