Wie kansengelijkheid zegt, denkt vaak aan gelijke kansen om ‘zo hoog mogelijk’ uit te komen. Precies daar wringt het, betoogt Mimi van Hoek in haar scriptie over kansengelijkheid en opwaartse druk in het onderwijs. Niet omdat gelijke kansen onwenselijk zijn, maar omdat het discours eromheen te vaak versmalt tot: iedereen moet de theoretische leerweg kunnen volgen. Daarmee krijgt praktisch onderwijs – vmbo/mbo – impliciet minder waarde, en groeit de druk om op te stromen. “Mimi. “Het suggereert dat andere routes minder zijn. Zo voed je opwaartse druk.”
Mimi plaatst die druk in de context van onze meritocratische samenleving: wie hoger klimt, krijgt meer status, invloed en gemiddeld ook een hoger salaris. “Het idee is: macht en waardering verdien je. In het onderwijs vertaalt dat zich naar streven naar het hoogste niveau. Dat werkt door in verwachtingen van ouders, scholen en leerlingen.” Zij benadrukt dat dit niet alleen een principediscussie is, maar ook voelbaar in klaslokalen en gesprekken aan de keukentafel. De taal die we gebruiken is veelzeggend. “Zeg je tegen een leerling die blij is met het vmbo: ‘Je kunt altijd nog opstromen’, dan zeg je eigenlijk: dit is nog niet goed genoeg.”
Toetscultuur als versneller
In haar analyse wijst Mimi op de manier van beoordelen: de nadruk ligt al vroeg op rekenen en taal, later op doorstroomtoetsen en examencijfers. “We becijferen vooral cognitieve, theoretische vaardigheden. Er wordt nauwelijks getoetst of je iets kunt maken, bouwen of verzorgen. Dat geeft aan wat we belangrijk vinden voor vervolgonderwijs – en wat niet.” Volgens haar is dat geen verwijt aan individuele docenten, maar een systeemvraag. Als inspectiekaders en kwaliteitsbeelden sterk leunen op theoretische opbrengsten, voelen scholen druk om ‘theoretisch te scoren’. Het effect: minder ruimte voor vakken en ervaringen die praktische talenten laten groeien.
Onderwaardering
Mimi’s maatschappelijke zorg is concreet: tekorten in zorg, bouw en kinderopvang. “Dat zijn beroepen die de samenleving dragen. Toch ervaren leerlingen die juist die richting op willen dat hun keuze minder wordt gezien of beloond. Dan krijg je demotivatie: waarom mijn best doen als het toch pas echt telt wanneer ik opstroom?” Ze nuanceert direct: gelijke beloning voor iedereen is niet haar pleidooi. “Maar rechtvaardiger waarderen en lonen rechttrekken voor cruciale mbo-beroepen is wél nodig. Verpleegkundigen, pedagogisch medewerkers – dat is zwaar, verantwoordelijk werk.”
Een kernpunt in Mimi’s scriptie is het onderscheid tussen gelijke loopbaankansen en gelijke ontwikkelkansen. Dat eerste is de bekende ladder: kun je elk diploma en elke positie bereiken? Het tweede vraagt: krijg je onderwijs dat jouw talenten helpt groeien – cognitief, technisch, sociaal, creatief? “We focussen nu vooral op loopbaankansen binnen de theoretische route. Echte kansengelijkheid betekent óók dat kinderen hun praktische, kunstzinnige of zorgvaardigheden kunnen ontdekken en ontwikkelen. Daar hoort ruimte bij in het curriculum.”
Wat scholen morgen al wél kunnen doen
Systemische verandering kost tijd en politiek draagvlak. Toch ziet Mimi handelingsruimte in scholen zelf. “Begin met aanbod. Wat bieden we – naast taal en rekenen – structureel aan waardoor leerlingen verschillende talenten kunnen ervaren? Techniek, drama, buitenlessen, verzorgen, EHBO… Als je het niet aanbiedt, kunnen kinderen niet merken dat ze er goed in zijn.” Ze is daarbij voor een schoolbrede aanpak: een gezamenlijke visie en structurele planning, in plaats van losse initiatieven van individuele leraren. “Anders ontstaat nieuwe ongelijkheid: in klas A wél ruimte, in klas B niet.”
Concreet noemt Mimi voorbeelden die ze tijdens haar onderzoek tegenkwam: scholen die wekelijks dramalessen of techniekblokken inzetten, en waar leerlingen merkbaar sterker presenteren of meer zelfvertrouwen ontwikkelen. “Dergelijke ervaringen werken door: in welbevinden, maar óók in taal en rekenen. Bouwen vraagt ruimtelijk inzicht en plannen; drama versterkt taalrijkdom en mondelinge vaardigheid. Je hoeft het niet tegenover elkaar te zetten.”

Taal doet ertoe
Een snel te beïnvloeden hefboom is ons woordgebruik. “Stop met rangordenende labels als ‘hoog’ en ‘laag’ en met routinezinnen als ‘je kunt altijd nog opstromen’,” zegt Mimi. “Benoem vmbo en mbo als volwaardige routes. En waardeer resultaten in die route: ‘Knap hoe je je in verzorging ontwikkelt’, niet: ‘Goed genoeg om misschien naar havo te gaan’.” Dat vraagt bewustwording bij teams én heldere communicatie naar ouders. “Wat voor beeld wil je als school uitdragen?”
Geen romantiek, wel realisme
Mimi is geen romantische tegenstander van theorie. Ze studeert zelf aan de universiteit, maar mist soms praktijkervaring. “Ik had zélf best hbo willen doen. Het is niet minder; het is anders.” Haar oproep is nuchter: verbreed wat we onder goed onderwijs verstaan en waardeer alle bijdragen aan de samenleving. “Als we blijven doen alsof alleen de theoretische route telt, verliezen we talent én motivatie. En de samenleving betaalt daarvoor de rekening.” De essentie van Mimi’s onderzoek is verrassend eenvoudig én veeleisend: kansengelijkheid gaat niet alleen over toegang tot het hoogste treetje, maar over gelijkwaardigheid tussen routes, vanaf de basisschool. Dat vraagt dat we het curriculum verbreden, beoordelingskaders herschikken en taal herijken. Of, zoals Mimi het samenvat: “Geef elk kind de kans om te ontdekken waar het van gaat glimmen – theoretisch of praktisch. Laat het gesprek over kansengelijkheid dáár beginnen. Dan zakt de opwaartse druk vanzelf.”


Bezig met laden...