De tienertijd is een periode van kansen en mogelijkheden, aldus Jelle Jolles, emeritus hoogleraar neuropsychologie. Leraren en ouders hebben echter verwachtingen die tieners nog niet kunnen waarmaken. Leerlingen in deze leeftijdsgroep zijn nog volop bezig met het ontwikkelen van de basisvaardigheden die essentieel zijn voor hun leren en functioneren. Tieners en hun brein zijn nog letterlijk ‘werk in uitvoering’. Dat vraagt om een andere houding van volwassenen: minder verwachten wat er nog niet is, en meer gericht steun, sturing en inspiratie bieden.
Autonomie, zelfregie en eigenaarschap zijn kernbegrippen in veel schoolbeleidsplannen. Maar hoeveel verantwoordelijkheid kunnen leerlingen daadwerkelijk aan? Is een brugklasser in staat om zijn leerproces te organiseren, en kan een vijftienjarige de gevolgen van zijn keuzes overzien?
Leerlingen kunnen veel, maar nog lang niet alles Veel tieners hebben moeite met het stellen van prioriteiten en het onderscheiden van belangrijke en minder relevante informatie. Ook het overzien van consequenties en het maken van weloverwogen keuzes ontwikkelt zich nog, vaak tot ver na de middelbare school. Toch doen we in het onderwijs alsof leerlingen al begrijpen wat ze moeten leren, en hoe ze dat moeten aanpakken. Maar hoe maak je goede keuzes als je de alternatieven niet kent? Hoe neem je verantwoordelijkheid voor een leerproces waarvan je het doel niet overziet?
Leerlingen hebben doorgaans nog geen realistisch beeld van de samenleving en hun eigen toekomst. Ze onderschatten het belang van kennis en ervaren weinig eigenaarschap over hun leren. Sommigen overschatten zichzelf, anderen onderpresteren of ervaren stress, en velen ontwikkelen een negatieve attitude jegens school en leren. Dat komt niet door onwil, maar doordat zelfinzicht en levenservaring nog in ontwikkeling zijn. Jongeren zijn nog bezig met het opdoen van ervaringen die nodig zijn om zicht te krijgen op zichzelf, op anderen en op de complexe wereld waar we in leven.
De leraar
De rol van de leraar is de afgelopen jaren verschoven van kennisoverdrager naar coach. Dat is in de praktijk niet altijd effectief. Coachen werkt immers alleen als leerlingen beschikken over voldoende kennis, vaardigheden en overzicht – en juist dat ontbreekt vaak. Voordat leerlingen kunnen reflecteren op hun leerproces, moeten ze eerst beschikken over basiskennis en een beeld hebben van mogelijkheden en alternatieven, inclusief de voor- en nadelen daarvan.
Onderwijs draait niet om wat de leraar aanbiedt, maar om wat de leerling oppakt. Daarom is een verschuiving nodig ‘van teaching naar learning’. Leren ontstaat niet vanzelf: leerlingen moeten zich een voorstelling kunnen maken van de te verwerven kennis, en begrijpen wat de essentie ervan is en waar die toe dient. Dat vraagt om expliciete aandacht voor het waaróm van leren: wat betekent deze kennis en wat kun je ermee? In elke les is het van belang om dit zichtbaar te maken. De leraar helpt door opties te tonen, structuur aan te brengen en leerlingen te laten nadenken over de consequenties van keuzes. Kennis en vaardigheden moeten expliciet worden aangeboden, ingeoefend en toegepast. Door gebruik te maken van voorbeelden, verhalen en gesprekken krijgt leerstof betekenis en wordt deze beter verankerd. Leren vraagt om gerichte begeleiding.
Pedagogisch vakmanschap
Ons onderwijs richt zich sterk op cognitieve vaardigheden en rationeel denken, zoals analyseren en begrijpen. Daarnaast zijn sociaal-emotionele en neuropsychologische vaardigheden essentieel voor het functioneren van leerlingen. Hoe werk je samen? Hoe ga je om met frustratie? Hoe bied je weerstand aan groepsdruk? Deze vaardigheden beïnvloeden in hoge mate het leerrendement, maar krijgen in de praktijk nog relatief weinig expliciete aandacht. Dat vraagt om pedagogisch vakmanschap. De leraar moet zien wat een individuele leerling al kan, maar ook wat nog ontbreekt, en daarop inspelen. Aandacht en betrokkenheid maken daarbij een groot verschil. Leerlingen die zich gezien voelen durven meer, leren actiever en ontwikkelen zich beter. Zij voelen ruimte om te proberen, te falen en opnieuw te beginnen. Door te praten, vragen te stellen en te benoemen wat er gebeurt, help je leerlingen hun denken te ordenen. Taal speelt daarin een cruciale rol: het is het voertuig van het denken.
Bied steun, sturing en inspiratie
De overtuiging dat leerlingen zelf de regie moeten voeren over hun leerproces heeft veel aanhangers. Daarom vraagt het moed om te erkennen dat we het belang van zelfstandigheid hebben overschat. Autonomie, regie en eigenaarschap zijn belangrijk, maar vooral als ontwikkeldoel: iets wat bereikt wordt in de jonge volwassenheid. Zolang we verwachten dat leerlingen al zelfstandig kunnen wat ze nog moeten leren, blijven we hen tekortdoen. Het leerproces blijft dan oppervlakkig en de studiemotivatie kwetsbaar. Juist hier ligt een belangrijke opdracht voor de leraar; niet als begeleider op afstand, maar als professional die actief steun, sturing en inspiratie biedt. Dat betekent niet dat de leraar alles bepaalt, maar wel dat hij richting geeft, uitdaagt en duidelijk maakt wat nodig is. Niet om controle te houden, maar om leerlingen daadwerkelijk verder te brengen in hun ontwikkeling.


Bezig met laden...
Reacties