Voor scholen kunnen de nieuwe kerndoelen als een extra opdracht voelen. Alsof er wéér iets bijkomt: burgerschap, meer samenhang, meer aandacht voor mondelinge taalvaardigheid, meer verbinding tussen basisvaardigheden en de wereld buiten school. Misschien helpt het om eens te kijken naar scholen die hier al langer mee werken. Ontwikkelingsgericht Onderwijs, kortweg OGO, kan een inspirerend voorbeeld zijn.
Rienkje van der Eijnden, voorzitter van de OGO-vereniging, en Marte van Vliet, nascholer en onderwijsontwikkelaar bij De Activiteit, het Landelijk Centrum voor Ontwikkelingsgericht Onderwijs, herkennen veel van de nieuwe koers. Voor hen voelt die niet als een breuk, maar eerder als bevestiging. “Dan denk je: oh ja, mooi, dat doen we al”, zegt Rienkje.
OGO draait om brede persoonsvorming. Kinderen worden niet benaderd als optelsom van losse vakken, maar als mensen in ontwikkeling. Dat klinkt groot, maar wordt zichtbaar in de dagelijkse onderwijspraktijk: in thematisch werken, in rijke gesprekken, in doelgericht spel en in onderwijs waarin de echte wereld de school in komt. Of waarin de school de echte wereld ingaat. De dames noemen bijvoorbeeld het nabootsen van een dierenwinkel in groep 3. Op het eerste gezicht lijkt dat spel. En ja, er wordt gespeeld. Maar niet vrijblijvend. Vanuit een spelverhaal ontstaan kwesties en gaan kinderen deelnemen: kinderen willen een dierenwinkel inrichten, bedenken wat nodig is, maken lijstjes, schrijven etiketten, lezen over dierenverzorging, bedenken vragen voor een bezoek aan de dierenarts en voeren gesprekken over wat een dier nodig heeft. “Kinderen zijn binnen een thema voortdurend aan het onderzoeken, spreken, luisteren, lezen en schrijven”, zegt Rienkje. Daar zit een belangrijke les voor scholen die met de nieuwe kerndoelen aan de slag gaan. Spel, thematiseren of aansluiten bij nieuwsgierigheid staan niet tegenover doelgericht onderwijs. Binnen OGO horen die juist bij elkaar. De start ligt niet bij een los doel of een methodebladzijde, maar bij de motivatie van kinderen, bij het deelnemen aan praktijken en het nadenken over actuele kwesties. Tegelijk blijven de doelen nadrukkelijk in beeld. In de OGO-cirkels, waarmee scholen thema’s ontwerpen, staan aan de buitenrand de kerndoelen. De leerkracht neemt die dus vanaf het begin mee.

Dat gebeurt in een half-open planning: je ontwerpt een thema doelgericht, maar laat ruimte voor wat ontstaat. Voor vragen van kinderen, voor onverwachte wendingen, voor verdiepend leren. Dat vraagt veel van een leraar, maar volgens Marte niet per se méér dan op een reguliere school. Wel iets anders. “Je moet bewust zijn van wat je kinderen leren, waarom en waartoe”, zegt zij. Observeren is cruciaal en je begeleiding vraagt wat anders. Je moet kinderen echt kennen: waar zit hun interesse, wat kunnen ze al, waar hebben ze hulp bij nodig, wat lokt hen uit tot denken en doen? Als leerkracht moet je goed reflecteren op eigen handelen en begeleiding.
Waar veel scholen het gevoel hebben dat de nieuwe kerndoelen vooral leiden tot overladen roosters, probeert OGO meer te doen met minder. Niet: voor elk nieuw accent een nieuwe methode. Wel: goed kijken wat kinderen in een context allemaal leren. In een rijk thema komen taal, lezen, schrijven, wereldoriëntatie en burgerschap vaak al dankzij een doordacht ontwerp samen.
Binnen OGO wordt het vier-velden-model gebruikt om taal- en leesonderwijs betekenisvoller vorm te geven volgens de ‘Zin in lezen aanpak’. Daarin komen motivatie, begrip, woordenschat en techniek samen. Niet eerst losse oefeningen voor techniek, dan een lesje woordenschat en daarna pas begrijpend lezen, maar één geïntegreerde aanpak. Het begint met de vraag: heb je er zin in? Waarom ga je deze tekst lezen? Wat wil je te weten komen? Nieuwsgierigheid creëren is geen extraatje, maar het startpunt.
Dat betekent niet dat kinderen lukraak kiezen. Ook dat misverstand leeft nog. Binnen OGO is kiezen niet vrijblijvend. Kinderen krijgen ruimte, maar binnen een doordachte context. Ze kiezen bijvoorbeeld uit rijke teksten die passen bij het thema en bij de doelen. Volgens Rienkje worden nieuwsgierigheid en kennis in het onderwijsdebat te vaak tegenover elkaar gezet. “OGO is de derde weg. Je haakt aan bij de nieuwsgierigheid van kinderen én zorgt dat ze veel leren.”
Dat vraagt een bepaalde houding van de leerkracht. Denken in losse vakjes en losse stukjes moet je durven afleren. OGO vraagt een onderzoekende blik, vertrouwen in kinderen en het vermogen om samenhang te zien. Tegelijk is het niet vaag of vrijblijvend. Integendeel: reflectie is essentieel. Blijven we op koers? Volgen we het verhaal nog? Waar grijpen we in? Wat leren kinderen nu eigenlijk? Ook als toetsresultaten even tegenvallen, vraagt dat om rust en visie, niet om meteen alles weer om te gooien.
Een ander sterk punt van OGO is de ruimte voor verschillen tussen kinderen. Die verschillen zijn geen probleem dat je moet wegwerken, maar een bron voor leren. Kinderen hebben elkaar nodig: de een leest een andere tekst, stelt een andere vraag of kijkt vanuit een andere invalshoek. Ze leren niet alleen van de leerkracht, maar juist van elkaar. En doordat hun inbreng ertoe doet, groeit eigenaarschap. “Mijn stem doet ertoe”, is precies het gevoel dat OGO wil oproepen.


- Begin klein.
- Kijk kritisch naar je leesonderwijs en vervang suffe methodeboekjes door rijke, betekenisvolle teksten.
- Ga vaker met kinderen in gesprek. Vraag niet alleen wat ze hebben gedaan, maar ook of ze er zin in hebben en waar ze nieuwsgierig naar zijn.
- Breng in groep 3 en 4 het spelverhaal terug.
- Durf methodes los te laten en wereldoriëntatie meer samenhangend en in combinatie met taal aan te bieden.
- Kom vooral eens kijken op een OGO-school.
Podcast op een OGO-school
PrimaOnderwijs werd naar aanleiding van dit interview nieuwsgierig naar zo’n OGO-school en bracht een bezoek aan ABBS De Zuiderzee.
Klik hier om de podcast te beluisteren.


Bezig met laden...
Reacties