De Staat van het Onderwijs: Niveau onderwijs daalt

De Staat van het Onderwijs 2016/2017: Bijna alle scholen halen het basisniveau; maar leerlingen die goed kunnen leren, krijgen desondanks nog steeds niet de uitdaging die ze nodig hebben. Dat drukt de resultaten van het hele onderwijs, constateert de inspectie in de jaarlijkse Staat van het Onderwijs. Hieronder noemen we de uitkomsten uit het onderzoek voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs:

De resultaten voor het primair onderwijs door de inspectie:

  • Onvergelijkbare eindtoetsen: Vorig jaar wezen we op het risico dat de onvergelijkbaarheid van de eindtoetsen met de toelating van nog drie eindtoetsen verder toe zou nemen. Dit is inderdaad gebeurd. We zien nu ook dat de deelnemende scholen per toets verschillen in een kenmerk als het opleidingsniveau van ouders. Dit bemoeilijkt het schetsen van een landelijk beeld van de resultaten op de eindtoets.
  • Leerresultaten onder druk: Ten opzichte van 15 tot 20 jaar geleden dalen zowel de reken- als de leesprestaties van basisschoolleerlingen. Met name het aandeel leerlingen dat op een hoog of geavanceerd niveau leest of rekent loopt terug. In internationaal perspectief raakt Nederland zijn (sub)toppositie kwijt. Daarnaast is het zeer zorgelijk dat in vergelijking met 2015 en 2016 minder leerlingen het streefniveau lezen behalen.
  • Verschillen tussen leerlingen en scholen: Vooral leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond halen minder goede resultaten bij lezen, taalverzorging en rekenen, ook als we corrigeren voor het opleidingsniveau van hun ouders. Op scholen zien we dit terug: naarmate een school meer leerlingen met een migratieachtergrond heeft, lukt het met deze leerlingen minder vaak de streefniveaus te bereiken. Een vergelijkbaar beeld zien we bij scholen met veel kinderen van laagopgeleide ouders. Toch zijn er ook scholen met vooral kinderen van laagopgeleide ouders die even goed presteren als scholen met voornamelijk kinderen van hoogopgeleide ouders.
  • Hoge mate van segregatie: In vergelijking met andere landen is het segregatieniveau in het Nederlandse primair onderwijs hoog, zowel voor etnische als voor sociale groepen. De segregatie naar het opleidingsniveau van de ouders is hoger dan de segregatie naar etnische achtergrond of naar inkomen.
  • Schooladvies: Net als vorige jaren constateren we verschillen tussen leerlingen in onderwijskansen bij het schooladvies voor het voortgezet onderwijs. Het initieel schooladvies sluit wel iets vaker aan bij de eindtoets. Ook stellen scholen het advies iets vaker bij als de uitslag op de eindtoets een heel of half niveau hoger uitviel. Daarbij blijven achtergrondkenmerken van leerlingen, zoals het opleidingsniveau van de ouders, een rol spelen. Overigens krijgen steeds meer leerlingen een havo/vwo- of vwo-advies.
  • Didactisch handelen van wisselende kwaliteit: De kwaliteit van het didactisch handelen van leraren is wisselend. Met name de complexere vaardigheden zoals de afstemming van de instructie en het geven van feedback blijven voor leraren een uitdaging. Het is bovendien zorgelijk dat we steeds meer lessen zien waarin leraren geen duidelijke uitleg van de lesstof geven. De kwaliteit van lessen in combinatiegroepen is
    minder dan in homogene groepen.
  • Onderwijs meestal van voldoende kwaliteit: De onderwijskwaliteit is op bijna alle basisscholen van voldoende niveau. Wel stijgt voor het eerst sinds jaren het aandeel zeer zwakke scholen licht.
  • Passend onderwijs: doel ondersteund, uitvoering weerbarstig: De meeste leraren staan positief tegenover de doelstellingen van passend onderwijs en hebben een positieve houding tegenover leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. De uitvoering van passend onderwijs vinden ze echter problematisch, vooral door tijdgebrek en het grote aantal leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften.
  • Kleinere scholen voor speciaal basisonderwijs: Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs is licht gestegen in 2017. Tussen 2013 en 2016 daalde de gemiddelde schoolgrootte. Met name kleine scholen staan voor de opdracht goed onderwijs te blijven geven
    aan een steeds complexere groep leerlingen met minder personeel en in minder groepen. Tot nu toe is de onderwijskwaliteit stabiel en van voldoende kwaliteit. Er staat wel druk op de leraren en de organisatie.

Aanvullende uitkomsten primair onderwijs:

  • Meer uitstroom naar het speciaal (basis)onderwijs: Tijdens of na afloop van het schooljaar 2016/2017 gingen bijna 7.000 leerlingen van het basisonderwijs naar het speciaal basisonderwijs en 3.800 naar het speciaal onderwijs. Dat zijn er 2.600 meer dan twee jaar eerder. Een terugkeer naar het regulier onderwijs komt steeds minder voor. Ook vanuit het speciaal basisonderwijs gaan meer leerlingen naar het speciaal onderwijs.
  • Werken aan kwaliteitsverbetering: Op veel scholen voldoet de kwaliteitszorg en ambitie aan de wettelijke vereisten. Maar dit is niet goed genoeg: er kan veel meer. Besturen en scholen kunnen samen werken aan de verbetering van de onderwijskwaliteit en hun professionaliteit.

De resultaten voor het voortgezet onderwijs door de inspectie:

  • Daling slagingspercentage: Internationale studies laten zien dat de prestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs een gestaag dalende trend vertonen in Nederland. Deze negatieve trend is niet zichtbaar in het gemiddelde cijfer voor het centraal examen in het voortgezet onderwijs: dat is gelijk gebleven. Wel valt de daling op van het percentage leerlingen dat een voldoende haalt voor wiskunde. Ook het percentage geslaagden is in 2016/2017 iets lager dan vorig jaar. Zorgelijk is dat leerlingen met een migratieachtergrond nog steeds veel minder vaak voor hun eindexamen slagen dan leerlingen zonder migratieachtergrond. Opmerkelijk is dat jongens, die op meerdere fronten achterblijven bij meisjes, vaker dan meisjes slagen voor hun eindexamen.
  • Burgerschapscompetenties blijven achter: Burgerschapscompetenties van leerlingen in het voortgezet onderwijs in Nederland blijven al jaren achter bij die van leeftijdgenoten in andere landen. In kennis en houdingen doen de leerlingen het hier minder goed dan leerlingen uit landen die veel op Nederland lijken. In vergelijking tot het buitenland, doen Nederlandse scholen relatief weinig aan burgerschapsonderwijs. Leerlingen zeggen dat onderwerpen zoals burgerrechten of stemmen bij verkiezingen weinig aan de orde komen. Ook blijken leraren zich minder dan in andere landen bekwaam genoeg te vinden om thema’s zoals de Grondwet of internationale samenwerking te behandelen.
  • Onderwijsresultaten vaker voldoende: De afgelopen jaren krijgen steeds meer afdelingen het oordeel ‘voldoende’ voor hun onderwijsresultaten. Bijna 95 procent van de afdelingen kreeg in 2017 het totaaloordeel ‘voldoende’ voor de onderwijsresultaten. Deze positieve ontwikkeling gaat gepaard met een afname van het aandeel (zeer) zwakke afdelingen, nu nog zo’n 3 procent. Wel zijn er iets meer zeer zwakke afdelingen.
  • Schoolverschillen in op- en afstroom: Tussen scholen in het voortgezet onderwijs bestaan verschillen in de mate waarin leerlingen in leerjaar 3 lager of hoger dan hun basisschooladvies zitten. Op sommige scholen komen bijna alle leerlingen lager dan hun advies uit, op andere gebeurt het tegenovergestelde. Leerlingen met laagopgeleide ouders hebben een grotere kans om af te stromen. Leerlingen met hoogopgeleide ouders komen eerder op een hoger niveau uit.
  • Onderwijsproces op onderdelen iets beter: Op enkele onderdelen van het onderwijsproces – actieve betrokkenheid en feedback – zijn de laatste
    jaren positieve ontwikkelingen zichtbaar. Differentiëren in de les blijft een uitdaging. Leraren toetsen veel maar doen te weinig met de resultaten. De reguliere (dus niet de extra) ondersteuning van leerlingen is op verreweg de meeste afdelingen van voldoende kwaliteit. Op bijna alle scholen verloopt de hulp voldoende planmatig. Veel scholen vinden het wel moeilijk om concrete (opbrengst)doelen te formuleren bij de
    ondersteuningsactiviteiten.
  • Driekwart van de scholen werkt opbrengstgericht: Opbrengstgericht werken is op 75 procent van de afdelingen van voldoende kwaliteit. Schoolleiders zelf zijn positiever. Ongeveer 90 procent beoordeelt het opbrengstgericht werken op de eigen afdeling als voldoende of goed. Veel leraren maken onvoldoende gebruik van de analyse van de leerlingprestaties als ze hun lessen vormgeven. Dit is een belangrijk verbeterpunt.
  • Meeste leerlingen voelen zich veilig: De meeste leerlingen voelen zich in Nederland veilig op school. Het laatst uitgevoerde monitoronderzoek (2015/2016) laat zien dat dit geldt voor 95 procent van de leerlingen.

Aanvullende uitkomsten voortgezet onderwijs:

  • Er stromen meer meisjes op dan jongens: Bijna een kwart van de meisjes zit in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs op een hoger niveau dan het basisschooladvies. Jongens stromen minder vaak op en komen veel vaker op een lager niveau uit. Jongens blijven ook vaker zitten dan meisjes. Als jongens eindexamen doen, slagen zij wel vaker dan meisjes.
  • Meer vmbo gt- en havo-diploma's: In een periode van 10 jaar hebben leerlingen vaker een diploma op vmbo gt- of havo-niveau gehaald. Minder leerlingen halen een diploma voor de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. Tegelijkertijd is het aandeel leerlingen dat een vwo diploma haalt niet gestegen.

Engelshoven en Slob

Minister Van Engelshoven en minister Slob in een eerste reactie: ‘Het is – helaas – een bekend en hardnekkig probleem en het is goed dat de inspectie hier de vinger op legt. We moeten niet wijzen naar elkaar, maar samen aan de slag om het tij te keren. Leraren, schoolleiders, onderwijsbestuurders en beleidsmakers. Dit rapport dwingt ons tot het stellen van duidelijke prioriteiten.’

Verantwoordelijkheid 

De bewindslieden benadrukken zeer te hechten aan vrijheid en autonomie voor scholen. ‘Maar met vrijheid komt ook verantwoordelijkheid. We zijn de lessen van de Commissie Dijsselbloem bijna uit het oog verloren: helder zijn over de onderwijsdoelen en helder zijn over de ruimte die scholen hebben om deze waar te maken.’

Terug naar leerdoelen

De herziening van de onderwijsinhoud biedt volgens Slob en Van Engelshoven kansen om tot scherpere leerdoelen te komen. ‘Waar de afgelopen jaren de eisen aan scholen steeds verder zijn uitgedijd, moeten we terug naar duidelijke leerdoelen. Ook moeten we de Haagse reflex weerstaan om het onderwijs nu direct te overladen met nieuwe actieplannen.’

In de basis is ons onderwijs - ook volgens de inspectie - nog steeds goed. Het aantal zwakke scholen is klein, de eindexamenresultaten zijn stabiel, schooluitval is laag en de jeugdwerkeloosheid is zelfs historisch laag. Van Engelshoven en Slob: ‘Daar mogen we trots op zijn. Maar tegelijk laat dit rapport zien dat het beter moet. Dat zijn we aan onze leerlingen en studenten verplicht.’

Opvallende verschillen tussen scholen

Er bestaan grote kwaliteitsverschillen tussen vergelijkbare scholen en dat is reden tot zorg, aldus de bewindslieden. Scholen die onder dezelfde omstandigheden werken, met dezelfde leerlingpopulatie en hetzelfde budget halen totaal verschillende resultaten. Scholen met een cultuur die gericht is op continue verbetering presteren beter. Slob wil zo snel mogelijk met de PO- en VO-Raad om tafel om te bespreken hoe scholen verder geholpen kunnen worden om stappen te zetten. Bijvoorbeeld door scholen die minder presteren te laten leren van de scholen waar het beter gaat. ‘Er wordt veel gevraagd van scholen en we mogen ze niet in de kou laten staan.’

Basiskwaliteit geen einddoel

De onderwijsresultaten zijn de afgelopen decennia steeds iets minder goed geworden. Lesmethoden gericht op de beter presterende leerlingen kunnen leraren helpen om hun leerlingen meer uit te dagen. Er speelt echter ook iets anders. Slob: ‘De basiskwaliteit is in veel gevallen het einddoel geworden. Daar willen we ons niet bij neerleggen.’

Bekijk hier het hele rapport De Staat van het Onderwijs 

 


Blijf op de hoogte

Meld je aan voor de PrimaOnderwijs nieuwsbrief

Nieuwsbrief